Indicatie
Doeldiersoort: hond Voor de behandeling van vlooien- en tekeninfestaties bij honden. Dit diergeneesmiddel heeft een onmiddellijke en aanhoudende dodende werking gedurende 1 maand voor vlooien (Ctenocephalides felis en C. canis) en teken (Rhipicephalus sanguineus, Ixodes ricinus, I. hexagonus en Dermacentor reticulatus).
Vlooien en teken moeten aanhechten aan de gastheer en beginnen met voeden om blootgesteld te worden aan het werkzame bestanddeel.
Contra indicatie
Niet gebruiken bij overgevoeligheid voor het werkzame bestanddeel of één van de hulpstoffen.
Gebruik
Voor oraal gebruik. Het diergeneesmiddel dient te worden toegediend om een dosering van 20– 43 mg lotilaner/kg lichaamsgewicht te garanderen.
Dit diergeneesmiddel is een smakelijke aromatische kauwtablet. Geef de kauwtablet(ten) maandelijks met het voer of erna. Voor optimale controle over teken- en vlooieninfestaties dient het diergeneesmiddel maandelijks toegediend te worden gedurende het vlooien- en/of tekenseizoen op basis van lokale epidemiologische omstandigheden.
Bijwerkingen
7. Bijwerkingen Doeldiersoort(en): Hond Zeer zelden (<1 dier/10.000 behandelde dieren, inclusief geïsoleerde meldingen): Diarree1,2, Bloederige diarree1 , Braken1,2; Anorexie1,2, Lethargie2 , Polydipsie (meer dorst)1,2; Ataxie3 , Convulsie3 , Tremor3 ; Pruritus (jeuk)1,2; Ongepast urineren1 , Polyurie (meer urineren)1,2 , Urine-incontinentie1,2 1 Mild en voorbijgaand 2 Verdwijnen meestal zonder behandeling 3 In de meeste gevallen van voorbijgaande aard Het melden van bijwerkingen is belangrijk. Op deze manier kan de veiligheid van een diergeneesmiddel voortdurend worden bewaakt. Indien u bijwerkingen vaststelt, zelfs wanneer die niet in deze bijsluiter worden vermeld, of u vermoedt dat het geneesmiddel niet heeft gewerkt, neem dan in eerste instantie contact op met uw dierenarts. U kunt bijwerkingen ook melden aan de houder van de vergunning voor het in de handel brengen met behulp van de contactgegevens aan het einde van deze bijsluiter of via uw nationale meldsysteem:{gegevens van het nationale systeem}. 7. Bijwerkingen Doeldiersoort(en): Kat Zeer zelden (<1 dier/10.000 behandelde dieren, inclusief geïsoleerde meldingen): Hyperactiviteit1,2 Braken2 Ataxie (incoördinatie), Spiertremor Tachypneu (snelle oppervlakkige ademhaling) Pruritus (jeuk)1,2 Anorexie (verlies van eetlust), Lethargie 1 Mild en voorbijgaand 2 Verdwijnt meestal zonder behandeling Het melden van bijwerkingen is belangrijk. Op deze manier kan de veiligheid van een diergeneesmiddel voortdurend worden bewaakt. Indien u bijwerkingen vaststelt, zelfs wanneer die niet in deze bijsluiter worden vermeld, of u vermoedt dat het geneesmiddel niet heeft gewerkt, neem dan in eerste instantie contact op met uw dierenarts. U kunt bijwerkingen ook melden aan de houder van de vergunning voor het in de handel brengen met behulp van de contactgegevens aan het einde van deze bijsluiter of via uw nationale meldsysteem: {gegevens van het nationale systeem}.



